Grondwet en Bestuur


‘Grondslagen van de Moderne Staat’

In 1879 heeft de onafhankelijke rechter zich in het Meerenberg-arrest met een beroep op het stelsel van de Grondwet expliciet uitgelaten over de vrijheid en gebondenheid van de Koning in een constitutionele monarchie. Hij stelde vast dat de Koning voor zijn vrijheid geen beroep kan doen op het gegeven dat bepaalde bevoegdheden hem in de Grondwet niet zijn onthouden, maar dat slechts van belang is in hoeverre hem bevoegdheden hem expliciet zijn toegekend. De Koning, zo luidt thans de regel, is slechts bevoegd voor zover deze zich kan beroepen op een in de wet of Grondwet vastgelegde bevoegdheid (legaliteitsbeginsel). – Staatkunde, Nederland in drievoud

Hiermee zien wij een element van de ‘standaard van de rechtsstaat’ dat gezagsdragers alleen mogen handelen op basis van een toegekende bevoegdheid en moeten binnen de beperkingen van de bevoegdheid handelen – LEGALITEIT. – AIV, Advies No. 87

Met het Meerenberg-arrest zien we drie regels van de democratische rechtsstaat samenkomen. Voor alles is een krachtige rol weggelegd voor de onafhankelijke rechter die moet vaststellen wat het geldende recht is. Vervolgens worden de wetgevende en de uitvoerende macht als gescheiden machten opgevat, waarbij de wetgever uiteindelijke bepaalt welke speelruimte aan de uitvoerende macht toekomt. Tenslotte blijkt door de rechter een directe relatie te worden gelegd tussen de scheiding van de wetgevende en de uitvoerende macht en het legaliteitsbeginsel.

We vinden hier al met al een duidelijke bevestiging van de stelling dat ‘de overheid’ niet bestaat. Binnen wat wij als ‘de overheid’ aanduiden spelen meerdere machten een rol. De onderlinge verhoudingen tussen de machten wordt bepaald door een stelsel van controle en verantwoording, waarin de wet de leidraad vormt. Afhankelijk van het onderhouden van dat stelsel is er sprake van machtsevenwicht, of gebrek daaraan.