Handvest van de Grondrechten

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 6 VEU kent aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dezelfde juridische waarde toe als de Verdragen. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dus juridisch bindend geworden voor de lidstaten.

Het Handvest bevat bepalingen die direct raken aan het functioneren van de rechtsstaat, zoals het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 6), gelijkheid voor de wet (artikel 20), het recht op behoorlijk bestuur (artikel 41), het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47), het vermoeden van onschuld en eerbiediging van de rechten van de verdediging (artikel 48) en inachtneming van het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen (artikel 49). Deze bepalingen zijn niet alleen gericht tot de Unie-instellingen, maar moeten ook door de lidstaten in acht worden genomen ‘wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer leggen’ (artikel 51).

Volgens de recente uitspraak van het Hof van Justitie in de Åkerberg Fransson zaak betekent dit dat wanneer een regeling van de lidstaten binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, de door het Handvest gewaarborgde rechten moeten worden geëerbiedigd. Het Grondrechtenagentschap van de EU en de Europese Commissie publiceren jaarlijks rapporten over de naleving van het Handvest.