Sociale grondrechten

Voorwoord: Sinds 1983 staan in de Grondwet naast de klassieke grondrechten (art. 1-17) een groot aantal zogenaamde sociale grondrechten (art. 18-23) die als een symbool van de verzorgingsstaat kunnen worden gezien. Het gaat dan om zaken als het recht op rechtsbijstand, werk, bestaanszekerheid en spreiding van welvaart, bewoonbaarheid van het land en milieubescherming, gezondheidszorg, woongelegenheid, maatschappelijke en culturele ontplooiing en vrijetijdsbesteding en onderwijs. – Bron: Staatkunde, Nederland in drievoud

Een sociaal grondrecht is een grondrecht dat actief optreden van de overheid vereist, bijvoorbeeld het recht op werk, huisvesting of onderwijs. De grondrechten zijn zogenaamde instructienormen; ze vormen een instructie aan de overheid om ervoor te zorgen dat er sociale gerechtigheid heerst en dat burgers zich voldoende kunnen ontplooien.

Wat mij opvalt, anders dan in bijvoorbeeld 1995, dat deze taak die de overheid heeft te vervullen, is toegekend aan ‘dienstencentra’ waarbinnen een enorme hoeveelheid geld in omgaat. Ook moet de burger daarvoor een bijbetaling doen. Soms ook vervult één en dezelfde persoon een taak als overheidsfunctionaris en van dienstverlener.

Neem bijvoorbeeld het recht op huisvesting. In geval sociale, wettelijke en economische bescherming ontbreekt, hetgeen een psychosociale belasting met zich meebrengt, dan wordt veelal niet de oorzaak weggenomen, maar verwijst de overheid de burger naar de GGZ. Hierbij vraag ik mij af, of er in deze gevallen sprake is van geestelijk misbruik. Niet de oorzaak wordt weggenomen, maar de klachten worden onderdrukt.

Artikel 2:4 Awb bepaalt dat de overheid zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Dat houdt onder meer in dat bij de overheid werkzame personen, die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming niet kunnen beïnvloeden. Het gaat daarbij niet alleen om daadwerkelijke beïnvloeding. Ook de schijn van vooringenomenheid moet worden voorkomen.

De vraag die dan komt kijken is of de overheid de instructie ook naar behoren uitvoert. Burgers kunnen geconfronteerd worden met extra kosten t.g.v. overheidshandelen. Dit ondermijnt hun economische positie en brengt hun recht op zelfbeschikking in gevaar.