9.6 Versobering (over de verzorgingsstaat)

Thans lijkt de verzorgingsstaat (een andere typering voor democratische rechtsstaat) over haar hoogtepunt heen. Hoewel de publieke steun voor sociale zekerheidsprogramma’s nog steeds groot is, wordt vanuit het eind van de jaren zeven-tig steeds nadrukkelijker de vraag gesteld of de verschillende nationale, universele en collectieve arrangementen en de omvangrijke overheidsinmenging nog wel doeltreffend en doelmatig zijn.
Ten eerste zijn de kosten van de verzorgingsstaat hoog. De vraag is of we die kosten in de toekomst nog willen (en kunnen) dragen. Daarbij wordt vaak gewezen op de gevolgen van ‘de vergrijzing’; steeds meer ouderen die steeds meer zorg behoeven.
Ten tweede lijken veel regelingen weinig doeltreffend. Ze bereiken niet de mensen waarvoor ze zijn bedoeld en lossen fundamentele problemen niet (meer) op. De vraag is of de overheid nog wel in staat is om in de huidige, snel veranderende wereld op allerlei problemen een adequaat antwoord te bieden.
Ten derde blijken diverse regelingen kwetsbaar te zijn voor fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. Sommige burgers verstrekken valse gegevens om uitkeringen te verkrijgen waarop zij eigenlijk geen recht hebben (fraude). Sommige burgers maar ook sommige organisaties gebruiken voorzieningen die strikt juridisch ge-zien correct is, maar die indruist tegen de bedoelingen van de wetgever (mis-bruik en oneigenlijk gebruik). Zo is de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) lange tijd benut als een aantrekkelijke regeling voor het afstoten van personeel.
Ten vierde kan worden gewezen op de globalisering en de toenemende internationale mobiliteit van goederen en kapitaal. Het wordt betwijfeld of het voor afzonderlijke staten nog wel mogelijk is om een eigen, ruimhartig sociaal beleid te voeren. Enerzijds kan in landen met een te ruimhartige verzorgingsstaat de productie van goederen te duur worden voor de internationale markt, waardoor afzetmogelijkheden afnemen. Anderzijds kunnen dergelijke landen voor grote investeerders zoals multinationale ondernemingen minder aantrekkelijk worden. Kortom, op termijn zouden ruimhartige verzorgingsstaten hun eigen economische basis ondermijnen.
Ongeacht de vraag of de afzonderlijke bedenkingen juist zijn, is het een feit dat op tal van terreinen getracht wordt om een verdere uitbreiding van de verzorgingsstaat in te dammen en terug te keren naar een soberder, beter beheersbaar stelsel. Sterker dan in andere landen worden in Nederland maatregelen genomen om de verzorgingsstaat om te vormen. Deze maatregelen behelzen vooral:

  1. Het introduceren van financiële incentives (prikkels) als aanvullend sturingsin-strument in de verhouding tussen centrale en lokale overheden, in de verhou-dingen met en tussen uitvoerende organisaties en in de verhouding met de consumenten van beleid. Bijvoorbeeld: door het introduceren van een eigen risico – de verzekerde draagt zelf een deel van de kosten – worden de burgers geprikkeld om minder snel gebruik te maken van bepaalde zorgvoorzieningen.
  2. Institutionele herinrichting van de georganiseerde verhoudingen tussen overheid, maatschappelijke organisaties en uitvoeringsorganisaties. Bijvoorbeeld: bij de recente herinrichting van de uitvoering van de sociale verzekeringen is deze uitvoering uit handen genomen van de bedrijfsverenigingen, waarin werkgevers en werknemers de dienst uitmaakten, en is een nieuwe onafhankelijke organi-satie belast met het toezicht hierop.
  3. Het terugdringen van de discretionaire ruimte (beslissingsvrijheid) in het uitvoeringsproces door aanscherping van wet- en regelgeving, het benadrukken van plichten van burgers en de verdere bureaucratisering van de uitvoering van beleid. Bijvoorbeeld: de wetgever probeert de instroom in de WAO te verminderen door de voorwaarden voor een recht op uitkering scherper te formuleren en betere waarborgen in te bouwen tegen misbruik en oneigenlijk gebruik.

Bron: Staatkunde, Nederland in drievoud – tweede druk, 2002