Gedecentraliseerde Eenheidsstaat

Een laatste begrip in dit verband is de gedecentraliseerde eenheidsstaat. Hiermee bedoelen wij dat er sprake is van een rijksoverheid die voor de staat als geheel optreedt, maar dat er tevens andere overheden zijn die naast de centrale overheid over zelfstandige (autonome) taken en bevoegdheden beschikken en een ei-gen democratische legitimatie hebben. Ook dit deel van de democratische rechts-staat is sinds 1948 onlosmakelijk met de Grondwet verbonden. Onderscheid kan gemaakt worden tussen territoriale decentralisatie en functionele decentralisatie. In dit boek gaat de aandacht vooral uit naar de eerste vorm van decentralisatie: het bestuur van bepaalde delen van het grondgebied van de staat, zoals de provinciale besturen en de gemeentebesturen. Het gaat hierbij om besturen met een algemeen takenpakket, voor een deel bestaande uit de ‘huishouding’ van de provincies of gemeenten – datgene wat door het bestuur in de provincie of ge-meenten als provinciaal of gemeentelijk belang wordt gezien – en voor een ander deel uit het door een ander bestuur – bijvoorbeeld het Rijk – gevorderde optreden (art. 124 GW). De eigen belangen behoren tot de autonomie en wat wordt gevorderd is medebewind. Functioneel gedecentraliseerd bestuur is ingericht voor de behartiging van een specifieke taak. Zo wordt van een waterschap ver-wacht dat dat zich bezig houdt met de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied (art. I, lid I Waterschapswet). Ook hierbij kan worden onderscheiden naar een autonoom en medebewinddeel van het totale terrein van zorg.
Essentieel voor de positie van het gedecentraliseerde bestuur is de democratische rechtvaardiging van dit bestuur. Zo worden leden van het hoogste orgaan van de provincie (Provinciale Staten) en de gemeente (gemeenteraad) rechtstreeks gekozen door hun burgers. Dit gegeven maakt dat het gedecentraliseerde bestuur namens de burgers de eigen belangen kan behartigen en als zodanig tegenwicht kan bieden aan de regelgeving en het bestuur van het Rijk. We kunnen hier spreken van een verticale invulling van het algemene uitgangspunt dat controle en verantwoording nodig is binnen de overheid. Zoals het Rijk op vele manieren het gedecentraliseerde bestuur kan beïnvloeden, zo heeft het gedecentraliseerde bestuur een basis om zich ten opzichte van andere besturen te manifesteren.

Bron: Staatkunde, Nederland in drievoud – tweede druk, 2002